SE1_16 | Wereldhandel
De Verenigde Staten en Nigeria spelen beide een rol op de wereldmarkt voor voedsel en landbouwproducten, maar hun positie is totaal verschillend. De VS is een van de grootste exporteurs ter wereld, terwijl Nigeria veel voedsel moet importeren. Deze verschillen hangen samen met landbouwproductiviteit, handelsbeleid en globalisering. Begrippen zoals exportlandbouw, exportsubsidies, dumping, verdringing van voedselproductie, handelsbelemmeringen, vrijhandel en globalisering helpen om te verklaren waarom deze landen zo verschillend presteren.
De Verenigde Staten hebben een moderne landbouw met hoge productiviteit. Daardoor kunnen boeren grote hoeveelheden mais, soja, tarwe en andere handelsgewassen produceren. Dit noemen we exportlandbouw: een groot deel van de productie is bedoeld voor de wereldmarkt. De VS gebruikt regelmatig exportsubsidies. Dat betekent dat de overheid boeren geld geeft om producten goedkoop te verkopen in het buitenland. Soms leidt dit tot dumping, waarbij de VS producten onder de wereldmarktprijs verkoopt. Hierdoor worden Amerikaanse producten in andere landen extra aantrekkelijk, maar het kan buitenlandse boeren benadelen.
Nigeria heeft een zwakkere positie op de wereldmarkt. De landbouw is kleinschalig en minder productief, waardoor het land weinig voedsel kan exporteren. Sommige producten, zoals cacao en palmolie, worden wel uitgevoerd, maar in kleinere hoeveelheden. In veel jaren moet Nigeria juist voedsel importeren om tekorten op te vangen. Omdat de landbouw niet genoeg produceert, kan import de lokale markt overheersen. Dit heet verdringing van voedselproductie: buitenlandse, goedkope producten nemen de plaats in van lokaal geproduceerde gewassen.
Op de wereldmarkt spelen handelsbelemmeringen en vrijhandel een grote rol. De VS doet actief mee aan vrijhandel: zo weinig mogelijk regels, zodat producten makkelijk kunnen worden verhandeld. Dat is gunstig voor een land dat veel exporteert. Nigeria heeft vaker te maken met handelsbelemmeringen, zoals hoge invoerkosten of instabiele handelsafspraken. Deze belemmeringen maken het moeilijker om te concurreren.
Deze internationale handel wordt beïnvloed door globalisering. Goederen reizen sneller en goedkoper de wereld rond. De VS profiteert hiervan: Amerikaanse landbouwproducten worden wereldwijd verkocht. Voor Nigeria is globalisering lastiger: goedkope producten uit rijke landen kunnen lokale boeren verdringen, terwijl Nigeria zelf niet genoeg produceert om te exporteren.
De Verenigde Staten hebben een moderne landbouw met hoge productiviteit. Daardoor kunnen boeren grote hoeveelheden mais, soja, tarwe en andere handelsgewassen produceren. Dit noemen we exportlandbouw: een groot deel van de productie is bedoeld voor de wereldmarkt. De VS gebruikt regelmatig exportsubsidies. Dat betekent dat de overheid boeren geld geeft om producten goedkoop te verkopen in het buitenland. Soms leidt dit tot dumping, waarbij de VS producten onder de wereldmarktprijs verkoopt. Hierdoor worden Amerikaanse producten in andere landen extra aantrekkelijk, maar het kan buitenlandse boeren benadelen.
Nigeria heeft een zwakkere positie op de wereldmarkt. De landbouw is kleinschalig en minder productief, waardoor het land weinig voedsel kan exporteren. Sommige producten, zoals cacao en palmolie, worden wel uitgevoerd, maar in kleinere hoeveelheden. In veel jaren moet Nigeria juist voedsel importeren om tekorten op te vangen. Omdat de landbouw niet genoeg produceert, kan import de lokale markt overheersen. Dit heet verdringing van voedselproductie: buitenlandse, goedkope producten nemen de plaats in van lokaal geproduceerde gewassen.
Op de wereldmarkt spelen handelsbelemmeringen en vrijhandel een grote rol. De VS doet actief mee aan vrijhandel: zo weinig mogelijk regels, zodat producten makkelijk kunnen worden verhandeld. Dat is gunstig voor een land dat veel exporteert. Nigeria heeft vaker te maken met handelsbelemmeringen, zoals hoge invoerkosten of instabiele handelsafspraken. Deze belemmeringen maken het moeilijker om te concurreren.
Deze internationale handel wordt beïnvloed door globalisering. Goederen reizen sneller en goedkoper de wereld rond. De VS profiteert hiervan: Amerikaanse landbouwproducten worden wereldwijd verkocht. Voor Nigeria is globalisering lastiger: goedkope producten uit rijke landen kunnen lokale boeren verdringen, terwijl Nigeria zelf niet genoeg produceert om te exporteren.
Examenvraag uitgewerkt
“Leg uit waarom de VS sterker staat op de internationale voedselmarkt dan Nigeria door gebruik te maken van twee verschillende begrippen.”
De Verenigde Staten hebben een hoge landbouwproductiviteit en produceren veel handelsgewassen voor exportlandbouw. Daardoor kunnen zij grote hoeveelheden naar andere landen exporteren. Ook gebruiken zij exportsubsidies, waardoor Amerikaanse producten goedkoper worden en soms zelfs als dumping op de wereldmarkt terechtkomen.
Nigeria heeft een lage landbouwproductiviteit en moet veel voedsel importeren. Daardoor ontstaat verdringing van voedselproductie, omdat goedkope buitenlandse producten de markt overnemen. Door deze situatie heeft Nigeria een zwakke positie op de internationale voedselmarkt. Zo laat je met twee begrippen zien hoe groot het verschil is.
Leerdoelen
- Ik kan uitleggen wat exportlandbouw, exportsubsidies en dumping betekenen en beschrijven hoe deze begrippen de sterke positie van de VS op de wereldmarkt verklaren.
- Ik kan beschrijven waarom Nigeria afhankelijk is van import door lage landbouwproductiviteit en uitleggen hoe verdringing van voedselproductie ontstaat.
- Ik kan uitleggen wat vrijhandel, handelsbelemmeringen en globalisering betekenen en laten zien hoe deze de handel van de VS en Nigeria beïnvloeden.
Aan de slag!
Kies één of twee opdrachten uit de bestanden en verwerk jouw keuze duidelijk in je schrift of portfolio. Schrijf de code en titel van de theorie altijd bovenaan je uitwerking.
LeerCheck
- Leg in je eigen woorden uit wat exportlandbouw of dumping betekent en geef een voorbeeld van de VS.
- Leg uit waarom Nigeria veel voedsel moet importeren en wat dit betekent voor lokale boeren.
- Kies één begrip (vrijhandel, handelsbelemmeringen of globalisering) en leg uit hoe dit de handel beïnvloedt.
Voor de docent
Gebruik werkvormen om de theorie snel en actief te bespreken in de klas. Voor verdieping of toetsing kun je de toetsvragen inzetten als formatieve check of proefwerkmateriaal.