• Home
  • Onderbouw
    • Module 1
    • Module 4
    • Module 5
    • Module 12
  • VMBO KGT
    • SE1 Arm en Rijk
    • SE2 Bronnen van Energie
GeoStap
  • Home
  • Onderbouw
    • Module 1
    • Module 4
    • Module 5
    • Module 12
  • VMBO KGT
    • SE1 Arm en Rijk
    • SE2 Bronnen van Energie
Picture

GS12_11 | IJstijden en gletsjers

In deze tekst leer je hoe koude perioden, zoals een ijstijd, het landschap kunnen veranderen. Je maakt kennis met begrippen zoals interglacialen, ijskappen en landijs, waar ook firn en gletsjers bij horen. Deze begrippen zijn belangrijk, omdat het landschap van Europa sterk is gevormd door ijs in het verleden.

Een ijstijd, ook wel glaciaal, is een heel lange periode waarin de aarde kouder is dan normaal. In zo’n tijd valt er veel sneeuw, maar smelt er weinig. Hierdoor groeit het ijs steeds verder. Daarbij speelt het albedo‑effect een grote rol: sneeuw en ijs weerkaatsen veel zonlicht, waardoor de aarde minder opwarmt. Hoe meer ijs er ligt, hoe kouder het blijft. Dit versterkt de ijstijd en zorgt ervoor dat landijs en ijskappen snel kunnen uitbreiden.

Interglacialen zijn warmere perioden tussen ijstijden in. Tijdens een interglaciaal smelt een deel van het landijs en worden gletsjers korter. Het albedo‑effect werkt dan juist de andere kant op: minder ijs betekent dat er minder zonlicht wordt weerkaatst. Donkere grond en water nemen meer warmte op, waardoor de temperatuur verder stijgt. Hierdoor smelt het resterende ijs nog sneller. Wij leven nu in zo’n interglaciale periode.

IJskappen zijn enorme lagen ijs die hele gebieden bedekken. Ze kunnen duizenden meters dik worden en liggen bijvoorbeeld op Groenland en Antarctica. Een ijskap ontstaat wanneer sneeuw zich eeuw na eeuw ophoopt. Vanuit ijskappen kan ijs langzaam naar buiten stromen en zo landijs vormen. Ijskappen zijn de grootste ijsmassa’s op aarde en groeien vooral in koude glaciale perioden.

Landijs is een dikke laag ijs die op het land rust en langzaam beweegt. Het begint hoog in de bergen of op een ijskap, waar steeds nieuwe sneeuw valt. Deze sneeuw wordt samengeperst tot firn, korrelige sneeuw die al half ijs is. De firn verzamelt zich in een firnbekken, een komvormige plek waar de sneeuw jaar na jaar blijft liggen. Als er genoeg firn wordt gevormd, verandert het in echt ijs dat begint te stromen: dit bewegende ijs noemen we een gletsjer. Het voorste deel van een gletsjer heet de ijstong. Die ijstong schuurt rotsen af, sleept stenen mee en vormt U‑dalen. Samen vormen firn, het firnbekken, de gletsjer en de ijstong het complete systeem van landijs.

Tijdens een ijstijd groeit sneeuw uit tot firn en daarna tot landijs. Dit ijs verzamelt zich in firnbekkens, stroomt uit als gletsjer en schuurt dalen uit met zijn ijstong. Het albedo‑effect houdt de aarde koel, waardoor het ijs blijft groeien. In een interglaciaal werkt het proces omgekeerd: minder ijs betekent minder albedo, waardoor het sneller opwarmt en meer smelt. Zo wisselen ijstijden en interglacialen elkaar af en vormen zij samen het landschap.

Tijdens een ijstijd groeit het ijs door het albedo‑effect. In firnbekkens ontstaat firn dat uitgroeit tot gletsjers met een uitschurende ijstong. In interglacialen smelt het ijs sneller doordat het albedo afneemt.

Leerdoelen

  1. Ik kan uitleggen wat een ijstijd is en beschrijven hoe het albedo‑effect ervoor zorgt dat ijs blijft groeien.
  2. Ik kan uitleggen hoe interglacialen verschillen van ijstijden en beschrijven hoe ijskappen en landijs zich in beide perioden gedragen.
  3. Ik kan de stappen beschrijven van sneeuw → firn → gletsjer en uitleggen hoe een ijstong het landschap uitschuurt.

Aan de slag!

Kies één of twee opdrachten uit de bestanden en verwerk jouw keuze duidelijk in je schrift of portfolio. Schrijf de code en titel van de theorie altijd bovenaan je uitwerking.
Picture
Picture
Picture
Picture

LeerCheck

  1. Leg in je eigen woorden uit wat een ijstijd is en hoe het albedo‑effect helpt om een ijstijd koud te houden.
  2. Wat gebeurt er met ijskappen en landijs tijdens een interglaciaal, en hoe verschilt dit van een ijstijd?
  3. ​Beschrijf de stappen van sneeuw tot gletsjer en leg kort uit wat een ijstong met het landschap doet.

Voor de docent

Gebruik werkvormen om de theorie snel en actief te bespreken in de klas. Voor verdieping of toetsing kun je de toetsvragen inzetten als formatieve check of proefwerkmateriaal.
Picture
Picture

​GeoStap – Ontdek de wereld op jouw manier!

GeoStap brengt aardrijkskunde tot leven met innovatief lesmateriaal, actuele geografische inzichten en unieke leermethodes. Ontdek onze methode via de GeoStap-website, Learnbeat en inspirerende concepten zoals GeoBeat en NieuwsKompas.
© GeoStap – Alle rechten voorbehouden
  • Home
  • Onderbouw
    • Module 1
    • Module 4
    • Module 5
    • Module 12
  • VMBO KGT
    • SE1 Arm en Rijk
    • SE2 Bronnen van Energie